Stijnzijn

Menu
Column
Freek
Tekst: Stijn Depoorter, Illustratie: Zwoltopia

Ik loop naar het station en neem daarbij niet de route die ik na het werk op automatische piloot afleg. Ik maak een ommetje omdat het een mooie avond is, en het dreigende onweer de stad nog niet heeft bereikt. Tot vogelgekrijs me tot stilstand brengt.

Op de parkeerplaats van enkele compacte wooneenheden ligt een jonge ekster op de grond te spartelen. Het dier strekt zijn vleugels uit, maar komt niet tot flapperen toe. De groenglanzende staart blijft, samen met een van de pootjes, over de grond slepen. De poot ligt in een hoek waarvoor je geen geodriehoek nodig hebt om te zien dat de hoek tussen het pootje en de rest van het vogellijf een stompe hoek is.

Volgens het Oude Testament zijn eksters ongeluksdieren omdat ze als enige diersoort weigerden in te schepen op de ark van Noah. Maar nu is het Freek, zo besluit ik de vogel te noemen omdat hij iets Freekigs heeft, die serieus in de rats zit.

Het gekrijs komt niet enkel uit de snater van de gewonde Freek. Uit een dicht bebladerde boom op de parkeerplaats weerklinkt het geluid van een radeloze eksterouder. Wellicht donderde Freek uit zijn nest. Of vloog hij overmoedig, maar onsuccesvol, het nest uit.

Een auto die van de parkeerplaats afrijdt, stevent op hem af. Ik wend mijn blik af, maar zoals ik wel vaker doe tijdens horrorfilms blijf ik ik-wil-wel-maar-ik-durf-niet-gewijs tussen de spleten van mijn vingers het tafereel gadeslaan. Ik zie hoe de wagen Freek op een haar na platwalst en hem spaart van het lot om voeder te worden voor zijn soortgenoten. Want eksters zijn opportunistische alleseters die zich graag tegoed doen aan onfortuinlijke verkeersslachtoffers.

Er zijn zo veel zaken in de wereld waar ik het verschil niet kan maken, maar voor Freek kan ik dat wel

Ik wil iets doen. Ik moet iets doen. Er zijn zo veel zaken in de wereld waar ik het verschil niet kan maken, maar voor Freek kan ik dat wel. Ik google ‘vogelbescherming Gent’ en bel hen op. Op een mijn typerende onsamenhangende manier vertel ik de persoon aan de ander kant van de lijn waar de gewonde vogel zich bevindt. Omdat ik ‘kleine parkeerplaats vlakbij station Gent Dampoort’ toch iets beter moet omschrijven, zoek ik de straatnaam. Nadat ik erin geslaagd ben de coördinaten door te geven vraagt de vogelbeschermer me of ik Freek, in afwachting van zijn komst, wil vangen en in een kartonnen doos steken.

De reclame van het roze toiletpapier, die ik jaren geleden zo vaak op de commerciële televisie zag, flits voor mijn ogen. In die spot vindt een jongen een gewonde vogel, die hij verzorgt in een kartonnen doosje gevuld met die zijdezachte roze doekjes-voor-van-onderen.

Maar ik heb noch roze toiletpapier, nog een kartonnen doos op zak. Die dingen maken nu eenmaal geen deel uit van mijn standaarduitrusting, en ik kan Freek moeilijk in mijn herbruikbare koffietas douwen.

Wat verderop in de straat is er een volkscafé waar een handvol typische oer-Vlaamse caféhangers op een geïmproviseerd terras op de stoep zit. Ik snel naar binnen. Omdat om zijdezacht roze toiletpapier vragen wat vreemd zou zijn, informeer ik enkel naar de kartonnen doos. De waard schudt met zijn hoofd.

“Welk café heeft nu geen kartonnen doos liggen in de berging. Hoe komen die kleine zakjes chips en Bifi-worsten hier dan terecht?” hoor ik me denken. Verward stap ik het café buiten, verzonken in de chaos in mijn hoofd. Pas na enkele stappen hoor ik hen. De stamgasten. Ze fezelen. Ze zijn over mij bezig. Niet over de voetbal, de vluchtelingen of het circulatieplan, maar over mij, de zelfverklaarde vogelvriend.

– “Da’s er ook ene, dat ziet ge toch?”
– “Ze zitten overal, die homo’s.”

Omdat mijn brein te hard in red-Freek-modus zit, schenk ik er verder geen aandacht aan. Ik moet en zal een kartonnen doos voor Freek vinden. First things first. Enkele minuten later is Usman, een voorbijganger die vlakbij woont,  mijn reddende engel als hij met een lege maxiverpakking ontbijtgranen komt aangesneld.

Onder luid kwetterend protest van Freeks ouders, stop ik mijn gevederde pechvogel in de doos. Ik kijk omhoog en probeer hen non-verbaal sussende gedachten toe te sturen. Dat dit de enige manier is om Freek te redden. Dat ze zich niet schuldig hoeven te voelen. Dat er goed voor hem gezorgd zal worden…

Omdat Usman zo vriendelijk is om even op Freek in zijn geïmproviseerde vogelkooi te letten tot de vogelbescherming er is, neem ik afscheid en haast ik me naar het station.

Onderweg spookt de onverwachte reddingsactie door mijn hoofd, die door de fluisterende stamgasten een wrange nasmaak heeft gekregen. De impact van hun opmerkingen dringt dan pas tot me door, en dat is geen prettige realisatie. Wat is er aan mij te zien? Aan mijn witte sneakers, blauwe T-shirt en grijze salopette. Aan mijn warrige blik en dito haardos. Aan mijn dertien in een dozijn brilletje van het hippe brillenmerk.

Wat is het nut van het wij-zij-denken? Van met afgunst te praten over de ‘andere’ alsof hij het niet hoort

Wat is het nut van het wij-zij-denken? Van met afgunst te praten over de ‘andere’ alsof hij het niet hoort. De homo, de werkloze, de zwarte…Wat is het nut van die handvol woorden die taalgewijs weinig voorstellen, maar gevoelsmatig zo enorm veel lading hebben. Van onnodige bemerkingen op onverwachte momenten die de grondvesten van je bestaan voor even in drijfzand veranderen. Die het positieve gevoel, dat ik vandaag het verschil voor een levend wezen heb gemaakt, herleiden tot gepieker en vertwijfeling. Moet ik me dan in een constante staat van wantrouwigheid bevinden en bij elke blik uitgaan van slechte bedoelingen?

Terwijl het landschap aan me voorbijraast in de trein, wou ik dat ik me bij Freek kon verstoppen en terug kon aansterken in die maxiverpakking ontbijtgranen. Of heeft het Oude Testament dan toch gelijk en was Freek een ongeluksbrenger?